Missing Peace | missingpeace.eu | NL

Irak negen jaar na de geallieerde invasie: terug bij af?

Door Missing Peace
Irak januari 2012 - 50 doden bij zelfmoordaanslag op Shiitische pelgrims

Dit Missing Peace rapport gaat over de situatie in Irak na de terugtrekking van het Amerikaanse leger in december 2011.

Na het vertrek van het Amerikaanse leger is het sektarisch geweld snel toegenomen. Sinds het begin van januari 2012, zijn er 354 burgers gedood door terreur aanslagen. Verder heeft Iran haar inmenging in de binnenlandse politiek van Irak opgevoerd, met als gevolg een toename in de politieke onrust. Hierdoor lijkt het land nu op een burgeroorlog af te stevenen .

Einde van de Amerikaanse missie
Op 15 december 2011 beeindigde het Amerikaanse leger officieel zijn missie in Irak.
Sinds het begin van de Amerikaans missie in 2003 zijn er 4.487 Amerikaanse soldaten omgekomen, en 32.226 gewond geraakt. Ongeveer honderdduizend Irakezen stierven in de daaropvolgende strijd en tijdens de talloze terreur campagnes.

Zodra de Amerikaanse troepen Irak hadden verlaten werd opnieuw duidelijk hoe ongeorganiseerd en sektarisch de Iraakse politiek is.
Direct na de terugtrekking ontstonden er sektarische en politieke spanningen die de instabiliteit in Irak deden toenemen.
De door Sjiieten gedomineerde regering beschuldigde Tariq al-Hashimi – de Soenietische vice-president van Irak – van betrokkenheid terrorisme. Kort daarop werd een arrestatiebevel tegen hem uitgevaardigd.

Al-Hashimi ontkende de beschuldigingen en beschuldigde op zijn beurt de regering van al-Maliki van misbruik van de nationale veiligheidstroepen om politieke tegenstanders, voornamelijk Soennieten, te onderdrukken.
Uiteindelijk vluchtte al-Hashimi naar de semi-autonome regio Koerdistan, in het noorden van Irak. Vanwege de autonomie daar, waren Al-Maliki’s veiligheidstroepen niet in staat om het arrestatiebevel uit te voeren.

Al-Hashimi verklaarde later dat hij niet zou terugkeren naar Bagdad, en is nu in feite balling in eigen land.
Daarop  dreigde al-Maliki de door de Amerikanen gesteunde nationale eenheids regering, die vorig jaar werd opgericht, te ontbinden. Ook waarschuwde hij de Koerdische leiders dat er “problemen” zouden komen indien men Tariq al-Hashimi niet zou uitleveren.

Politieke arena

De laatste Irakeze algemene verkiezingen vonden plaats in maart 2010 en verliepen in het algemeen op een transparante wijze.
De verkiezingen leidden echter tot een impasse in de onderhandelingen over een coalitie. De grotendeels Sjiitische Al-Da’wa partij van al-Maliki en Al-Iraqqiyah, een coalitie van overwegend Soennitische groepen die wordt geleid door Ayad Allawi, konden het niet eens worden  over de vorming van een nieuwe regering.

Deze situatie duurde voort tot het einde van november 2010. Daarop stelde Masood Barzani, de president van de Regionale Regering van Koerdistan (KRG), de Erbil overeenkomst op. Dit document, dat door alle partijen werd aanvaard, riep op tot de oprichting van een nieuwe regering op basis van machtsdeling.
Als gevolg hiervan bleef Al-Maliki de premier en Jalal Talabani – een Koerd – de president.
Het ministerie van defensie en het vice-presidentsschap werden toegewezen aan Al-Iraqiyya, Allawi’s politieke coalitie. Daarna werd Tareq Al-Hashemi benoemd tot vice-president.

Maliki’s macht
Zodra Al-Maliki was benoemd door het Iraakse parlement, probeerde hij de invloed van de door Ayad Allawi gecontroleerde ministeries te verminderen opdat zij slechts een adviserende rol zouden krijgen in de regering. Ook eiste hij dat  een groot aantal overheidsfunctionarissen zou worden aangesteld, hetgeen de bestuurbaarheid van die ministeries zou frustreren.

Daarnaast probeerde al-Maliki om de ministeries van defensie en binnenlandse zaken onder zijn controle te houden, door zichzelf als staatssecretaris te benoemen.

De meeste kandidaten die door Allawi waren voorgedragen voor functies in het Ministerie van Defensie werden bovendien door Maliki afgekeurd. Ze  zouden volgens hem niet  gekwalificeerd zijn.

Daarna dreigde het Al-Iraqiyya blok herhaaldelijk om de steun aan de eenheidsregering in te trekken.
Al-Maliki nam deze bedreigingen niet serieus en kreeg uiteindelijk gelijk, de coalitie bleef voorlopig overeind.

De leden van de al-Iraqiya coalitie liepen verschillende keren weg uit parlementaire vergaderingen. Zij beschuldigden al-Maliki van het voorbereiden van een staatsgreep en het saboteren van democratische procedures,  door het uitvoeren van tientallen politiek getinte arrestaties.
Deze beschuldigingen kwamen na een aantal invallen in de zwaar bewaakte, zogenaamde Groene Zone van Bagdad.  Hierbij werden 600 Ba’athisten gearresteerd in november 2011. Op zijn beurt beschuldigde al-Maliki hen van het plannen van een staatsgreep.

Bezorgdheid

Al-Maliki’s gedrag was reden voor toenemende bezorgdheid in en buiten Irak. Die bezorgdheid nam toe nadat de Amerikaanse troepen het land hadden verlaten. Velen vreesden dat de fragiele Iraakse democratie zou instorten en opnieuw zou worden vervangen door een dictatuur. Naast de angst voor een nieuwe dictatuur zijn er ook duidelijke tekenen van een groeiende sektarische strijd en een toename van de Iraanse invloed.

Na de crisis tussen de Shiieten van al-Malaki en zijn tegenstanders in de Soennitische gedomineerde al-Iraqiyya coalitie, riep de anti-Amerikaanse geestelijke Moktada al-Sadr, op tot de ontbinding van het parlement. Ook eiste Sadr’s invloedrijke Sjiitische groep dat er vervroegde verkiezingen zouden worden gehouden. Dit was de eerste openlijke rebellie tegen al-Maliki binnen zijn eigen Sjiitische coalitie.

Spanningen

Al-Sadr’s actie vormde echter geen directe bedreiging voor de regering van al-Maliki, maar de reeds bestaande spanningen namen er aanmerkelijk door toe. De actie liet zien hoe fragiel de allianties zijn tussen de verschillende groeperingen in Irak.
Op dit moment is er niet veel nodig om een ​​groter conflict (vergelijkbaar met de gebeurtenissen van 2006-2007) te doen ontvlammen. De kans op een burgeroorlog is niet langer denkbeeldig.

Sinds de Amerikaanse troepen Irak verlieten in december 2011, zijn de terreur aanslagen sterk in aantal toegenomen. Zo vonden er drie dagen na de uitvaardiging van het aanhoudingsbevel tegen Al-Hashimi, zestien simultane explosies plaats in Baghdad’s Sjiitische gebieden. Hierbij kwamen tientallen burgers om het leven.
In januari 2012 nam het geweld verder toe, waardoor er tot nu toe 358 burgers zijn omgekomen.

Na de aanslagen op Sjiitische doelen, werd op zondag 15 januari een Soennitisch bolwerk in Ramadi aangevallen door terroristen die explosieven op hun lichaam droegen. Veertien mensen stierven tijdens die aanval, onder hen de 6 terroristen.

Daarnaast zijn ook de spanningen tussen de Sjiieten en de Koerden over de uitlevering van al-Hashimi hoog opgelopen.
Andere spanningen zijn gerelateerd aan het beheer van de olie-velden die zich bevinden in de autonome Koerdische regio. Soennitische en Sjiietische spanningen ook verder opgelopen, als gevolg van religieuze verschillen, politieke onrust en aanwijzingen dat Iran aan het proberen is om Irak te veranderen in een nieuwe, door de Sjiieten gedomineerde, Islamitische republiek.

Iraanse invloed

Sinds het begin van de westerse militaire operatie in Irak, hebben de Iraniërs geprobeerd om hun invloed te versterken in het land. De Iraniërs sponserden politieke en terroristische organisaties in Irak om zodoende meer macht te krijgen. Die macht kon later worden gebruikt nadat de Amerikanen het land hadden verlaten.

In een artikel in The Jerusalem Post van 20 december 2011 schreef Jonathan Spyer, een expert op het gebied van Arabische zaken, het volgende over de Iraanse strategie:

Na de verkiezingen was al-Maliki alleen in staat om zijn regering te vormen omdat de door Iran gesteunde beweging van Moqtada al-Sadr er voor koos om hem te steunen. Dit gebeurde nadat Iran een deal bemiddelde tussen Sadr en Maliki.

De onderhandelingen over deze deal vonden plaats in Qom, Iran. Qassem Suleimani, de commandant van de Revolutionaire Garde’s al-Quds macht, en Mohammed Kawtharani, een belangrijk lid van de Libanese Hezbollah organizatie, waren direct betrokken bij de onderhandelingen over de overeenkomst.
Met andere woorden, Maliki is in staat is om te regeren, omdat hij  in een coalitie met een Iraanse proxy zit.”

“Er is ook een economische factor. Iraanse bedrijven hebben zwaar geïnvesteerd in wederopbouwprojecten in Irak. In juli 2011 bijvoorbeeld, werd er een contract getekend voor de bouw van een 2500-kilometer lange gaspijplijn die Iraans gas via Irak naar Syrië zal transporteren.
Voeg aan deze politieke en economische elementen de omwentelingen toe  die plaats vonden in de Arabische wereld in 2011, en het wordt makkelijker om te begrijpen wat Maliki voor ogen heeft met zijn toenadering tot de Sjiitische regionale alliantie die wordt geleid door Iran. ”
“Het verkrijgen van Iraanse steun gaat gepaard met het helpen van andere klanten. Een gunst vraagt om een wederdienst “

Onlangs kondigde Al-Maliki aan dat zij een door Iran gesteunde militie – Asaib Ahl al-Haq – zal opnemen in Irak’s regering. De steun aan deze militie door de Sjiieten gecontroleerde Iraakse regering, zorgt voor nieuwe sektarische spanningen in Irak’s politieke crisis. Op hetzelfde moment neemt Iran’s invloed toe. Als gevolg daarvan kan gesteld worden dat Irak nu direct onder de invloed van Iran is gekomen.

Conclusie

Op dit moment is het niet duidelijk waartoe dit alles zal leiden. Indien Al-Maliki een meerderheidsregering vormt in plaats van een nationale eenheids regering, dan is de kans groot dat Soennitische elementen (ondersteund door Al-Qaida) gewapend verzet en meer zelfmoordaanslagen zullen gebruiken.

Dit zou er weer toe kunnen leiden dat al-Maliki de grondwet zal wijzigen en een presidentieel systeem zal introduceren. Uiteindelijk zou dit betekenen dat Irak zal terugkeren naar de tijd dat het werd geregeerd door een dictator. Tegelijkertijd zou dat de inleiding kunnen vormen voor Irak’s toetreding tot de Iraanse axis.

Dit is de reden waarom Israëlische premier Bibi Netanyahu onlangs waarschuwde dat ‘Israël zich geconfrontreerd ziet met  nieuwe ‘uitdagingen’ aan het oostelijk front, die het land niet heeft gekend in tien jaar’. (Netanyahu tijdens een toespraak in de Knesset  op 28 december 2011).

De ontwikkelingen in Irak zijn een blamage voor de Amerikaanse regering. In een toespraak aan de vooravond van het vertrek van de laatste Amerikaanse troepen, zei Obama het volgende: “We laten een stabiel land achter.”
Het is nu echter duidelijk dat Irak verre van stabiel is; de situatie zou zelfs kunnen ontaarden in een burgeroorlog.

Aan het einde van december 2011, schreven drie Iraakse politici, onder wie de voormalige premier Ayad Allawi, in een artikel voor The New York Times dat Irak is ‘gedoemd’ als de VS niet zal ingrijpen en al-Maliki in toom zal houden. Maar Obama heeft duidelijk gemaakt dat hij niet van plan is om zoiets te doen. In plaats daarvan heeft hij aangedrongen op onderhandelingen om de eenheids regering te redden.
Medio januari zei de Amerikaanse minister van defensie Panetta het volgende:

 “We zijn ervan overtuigd dat we een Iraakse regering en Iraakse veiligheidstroepen hebben die in staat zijn om om tegaan met de veiligheids bedreigingen die daar nu zijn”.

In een reactie gaf de Republikeinse senator John McCain aan dat hij het totaal oneens was met Panetta:

 “Met alle respect, Irak valt uit elkaar. Het land is aan het ontrafelen, omdat we er geen (strijd)krachten hebben achtergelaten”.

Nu er sinds begin januari 2012 al 354 burgers zijn omgekomen, lijkt het erop dat McCain en Allawi gelijk gaan krijgen.
Bijna negen jaar nadat de VS en hun bondgenoten het land binnenvielen om Saddam Hoessein omver te werpen en om democratie te introduceren, lijkt Irak weer terug te zijn bij af.