Missing Peace | missingpeace.eu | NL

  • Gepubliseerd: Donderdag, 22 Juli, 2010 - 2:19 PM
  • Trefwoorden:

Guus Valk (NRC) over Israël – Los van alle conventies

Door Missing Peace

Op 17 juli 2010 publiceerde NRC een artikel van correspondent Guus Valk onder de titel “De nieuwe Jood is los van conventies“.

In het artikel beschrijft Valk zijn afkeer van Israëliërs en hun gedrag op een wijze die grenst aan demonisering. Niet gehinderd door enig gevoel voor nuance generaliseert en stigmatiseert hij in zijn beschrijving van het dagelijks leven met de Israëliërs in zijn tijdelijke woonplaats Tel Aviv.

Zijn beschrijving van sommige Israëlische gewoontes zou afkomstig hebben kunnen zijn van een toerist die voor het eerst voet zet buiten Nederlandse bodem.

Maar Valk is de correspondent van een gerenommeerde Nederlandse krant en verblijft al jaren in Israel. Zijn duidelijke aversie tegen Israëliërs en het feit dat hij zelf op “ lompe “ wijze omgaat met sommige feiten in zijn artikel diskwalificeren hem voor zijn taak als verslaggever voor NRC.

Een paar voorbeelden maken duidelijk dat hij verkeerde intenties had bij het schrijven van het artikel.

Zo schrijft hij over zijn ervaringen in het postkantoor van Tel Aviv het volgende: “Wie een nummertje trekt en braaf gaat zitten wachten, kiest voor een vrijwillig verlengd verblijf in het postkantoor.

Israëliërs doen het anders. Die stormen binnen, een pakketje onder de arm, met een blik alsof het om een zaak van leven of dood gaat. Ze lopen naar een balie, maken zich breed en roepen dat Nu! Onmiddellijk! Dit pakketje verstuurd moet worden”.

De waarheid is dat sommige Israëliërs zich schuldig maken aan het door Valk geschetste gedrag.

In de meeste supermarkten en banken in Israël waar de efficiëntie nog altijd niet het Nederlandse nivo heeft bereikt, moet de klant inderdaad lang wachten. Opvallend is juist dat de meerderheid van de Israëliërs volkomen gewend is geraakt aan deze inefficiënties en gelaten op zijn beurt wacht.

Over een gebaar dat iedereen in Israël kent als het “Recka” gebaar (momentje) schrijft hij het volgende: “Het ergste vond ik altijd de uitgestoken linkerhand, met een tegen elkaar omhooggestoken duim, wijs- en middelvinger. Dat betekent: ’even wachten’, maar ik heb het lang gezien als een variant op een opgestoken middelvinger.

Die interpretatie zegt natuurlijk meer over Guus Valk dan over de Israëliërs en is kennelijk de basis voor zijn artikel geworden!

Uit zijn beschrijving blijkt duidelijk dat Valk geen enkel begrip heeft van de lokale gebruiken en deze slechts refereert aan zijn eigen Nederlandse achtergrond. Het bewuste gebaar heeft in feite een vriendelijke bedoeling en wordt vaak gemaakt wanneer verbale communicatie niet mogelijk is.

Zo voorkwam een Israëli jaren geleden met dat gebaar dat ik tegen een auto aanbotste die tijdens het achteruitrijden over het hoofd was gezien.

De conflicten over geld en politiek die Guus beschrijft en die hij aanziet voor ruzies, zijn in werkelijkheid discussies die geen gevolgen hebben voor de persoonlijke verhoudingen.

Dat zou voor een Nederlander een hele opluchtende ontdekking kunnen zijn.

De luide ogenschijnlijke kwade toon waarop discussies worden gevoerd ziet men nog sterker bij de Palestijnen. In Nederland heeft men deze gewoonte dus niet, in Columbia betekent een dergelijke stemverheffing dat men je waarschijnlijk gaat vermoorden.

Dit leert ons slechts iets over cultuurverschillen.

Luid praten en ongeremde emoties in de omgang onder Israëliërs vallen overigens in het niet bij het “zinloos geweld” dat men in de Nederlandse samenleving tegenkomt.

In Israëlische treinen rijdt bijvoorbeeld iedereen nog mee zonder angst voor die reiziger zonder kaartje, een tweede conducteur is overbodig.

Israël zou volgens Valk nauwelijks zaken doen met Azië vanwege een “gebrekkige antenne voor culturele gevoeligheden”. De Israëlische handel met China bedroeg vorig jaar vijf miljard Euro!

In de tien jaar dat ik Israëli ben, heb ik een paar andere gewoontes van de “nieuwe Joden” ontdekt die Guus over het hoofd zag.

Zo is het in Israël gewoon om naar iemands welbevinden te informeren met echte interesse.

De gastvrijheid van mensen deed me versteld staan in de eerste jaren dat ik hier was. Waar maakt men mee dat je het huis van een volslagen vreemde mag lenen voor een weekend of een feest.

In Israël is dat gewoon.

Hulpvaardigheid onder de Israëliërs is een andere eigenschap die Guus klaarblijkelijk ontgaan is.

Ik zag vele voorbeelden waarbij mensen- soms zelfs met direct gevaar voor eigen leven- anderen te hulp schoten. Of het nu om een lege accu gaat, een aanslag of een ernstig ongeluk, onverschilligheid is de norm niet in Israël.

Bij een bezoek aan Nederland enige jaren geleden werd ik geconfronteerd met één van die cultuurverschillen tussen Israel en Nederland.

Op een winterdag in 2002 werd ik door voorbijgangers geattendeerd op een te water geraakte auto in het Noord Hollands kanaal ter hoogte van Burgerbrug.

Toen ik het water in sprong – op dat moment 8 graden- om de inzittenden te redden, bleven circa zes Nederlanders op de walkant staan kijken. De hulp die ik kreeg bestond uit een toegeworpen krik.

De brandweer redde vervolgens mijn leven nadat ik door de kou bevangen was geraakt.

Guus Valk, met wie ik regelmatig een dialoog voerde over de inhoud van zijn artikelen en die ik als integer beschouw, heeft NRC en zichzelf een slechte dienst bewezen.

In een tijd waarop Joden in Nederland opnieuw bang zijn en Israël wordt gedelegitimiseerd, zou nuance en verantwoordelijkheidsbesef de norm moeten zijn in de berichtgeving.

In dit artikel lijkt het erop dat Guus Valk deze normen aan zijn laars heeft gelapt.

Daarmee was hij degene die “los kwam van alle conventies”.

Yochanan Visser

Publicist en onderzoeker voor Missing Peace in Jeruzalem


BIJLAGE: NRC – De ‘nieuwe jood’ is los van conventies



Voordringen bij de kassa’s, schreeuwen tegen iedereen, inclusief baby’s, de lompheid van veel Israëliërs is onbeschrijfelijk. Beter dan die stijve Europeanen, zeggen ze zelf.

Door onze correspondent, GUUS VALK tel aviv, 17 juli.

Dagenlang blijven de brieven in de kamer slingeren. We proberen zo lang te wachten tot de ander ze meeneemt. Het postkantoor van Tel Aviv stap ik altijd met lood in de schoenen binnen. Bij de ingang staat een nummertjesautomaat, en een computer roept om welk nummer aan de beurt is. In de praktijk heerst chaos en anarchie in het kantoor.

Wie een nummertje trekt en braaf gaat zitten wachten, kiest voor een vrijwillig verlengd verblijf in het postkantoor.
Israëliërs doen het anders. Die stormen binnen, een pakketje onder de arm, met een blik alsof het om een zaak van leven of dood gaat. Ze lopen naar een balie, maken zich breed en roepen dat Nu! Onmiddellijk! dit pakketje verstuurd moet worden. Meestal ontstaat er dan wat duw- en trekwerk, roept iemand dat hij toch echt eerder was, bemoeit een derde klant zich ermee, maar de assertieve klant wint het altijd.

Nooit had ik gedacht ik dat het zou wennen. De onbeschrijfelijke lompheid van de Israëliërs die om me heen in Tel Aviv wonen. Het harde praten, tegen het schreeuwen aan, ook tegen baby’s. Het voordringen bij de kassa, tot aan een mevrouw toe die zich letterlijk voor mijn boodschappenkar gooide om maar eerder aan de beurt te zijn. Het recht vooruit lopen op straat, zonder uit te wijken voor andere voetgangers.

De handgebaren op straat, die stuk voor stuk obsceen lijken, maar volgens de Israëliërs zelf goed bedoeld zijn. Het ergste vond ik altijd de uitgestoken linkerhand, met een tegen elkaar omhooggestoken duim, wijs- en middelvinger. Dat betekent: ‘even wachten’, maar ik heb het lang gezien als een variant op een opgestoken middelvinger.

Na tweeënhalf jaar merk ik dat ik het kopieer. Het gedrag waar ik al die tijd op heb neergekeken, wordt langzaam maar zeker mijn eigen gedrag. Onlangs liep ik, laat ik het een sociologisch experiment noemen, op het postkantoor ook meteen op een balie af en zei dat ik onmiddellijk geholpen moest worden. Ik keek achterom, maar niemand leek het gek te vinden.

Toen de pas gekochte auto het begaf, haastte ik me naar de autodealer en schold hem minutenlang de huid vol. Het was mijn eerste scheldpartij sinds de basisschool. Het beruchte handgebaartje maak ik ook al lang.

Etentjes zijn een beproeving. Ieder onderwerp komt op tafel, het liefst politiek en religie. „Wat verdien je”, is ook een doodgewone vraag. Conflicten over geld of politiek worden op luide toon beslecht, maar als ik bij de eerste stilte opkijk van mijn bord, lijkt iedereen de ruzie allang weer vergeten te zijn.
Volgens een kennis gedragen Israëliërs zich zo omdat ze in een migratieland wonen. Bijna de helft van de Israëliërs is in het buitenland geboren, en de Franse, Ethiopische, Braziliaanse of Amerikaanse migranten lijken hun eigen etiquette te hebben heruitgevonden. „Een losse, spontane manier van met elkaar omgaan. Als ik ergens te gast ben en iets wil drinken, pak ik het gewoon uit de koelkast.”
Het heeft volgens hem, en anderen, ook te maken met het twintigste-eeuwse ideaal van de ‘nieuwe jood’, die zich losmaakte uit de conventies van het burgerlijke, passieve Europa. In het zionisme werden ideeën bedacht over de nieuwe jood, die assertief is, „Misschien”, zei de kennis, „willen we onbewust aan die standaard voldoen”.

Kan zijn, zei ik terug, maar de rest van de wereld begrijpt er niets van. Hostels willen geen Israëlische backpackers. Een hotel in Egypte waar ik was wilde me alleen toelaten als ik kon aantonen dat ik geen Israëliër was. Het Israëlische zakenleven doet nauwelijks zaken in Azië, omdat die markt onbereikbaar is door de gebrekkige antenne voor culturele gevoeligheden van Israëlische zakenlieden.
Israëliërs in Tel Aviv lijkt dat niet te deren. Ze weten dat ze lomp zijn, en zijn er zelfs trots op. Ze zetten zich af, zeggen ze, tegen de stijve Europeanen en de joviale Amerikanen.

„En trouwens”, zei een andere kennis laatst tegen me, „het wordt ook wat overdreven. Zo gaat hier het verhaal dat Nederlanders ‘sorry’ zeggen als iemand anders op hun tenen staat. Dat geloof ik niet.